Opleidingen - BOA

Opleidingen

 
Opsporingsbevoegdheid wordt verleend door de minister van Justitie. De minister bepaalt welke opsporingsbevoegdheden worden toegekend. Daarnaast beslist de minister van Justitie of de boa politiebevoegdheden (geweldgebruik en veiligheidsfouillering) en geweldsmiddelen mag gebruiken, en zo ja, welke. Niet elke boa heeft dezelfde bevoegdheden.

De taakomschrijving van de boa is vastgelegd in de akte van opsporingsbevoegdheid, die wordt uitgereikt als zowel de bekwaamheid als de betrouwbaarheid van de (beoogd) buitengewoon opsporingsambtenaar is getoetst.
 
Tot 1994 was er geen integrale regeling voor functionarissen met opsporingsbevoegdheid die niet belast zijn met politiekerntaken. Met de invoering van de Politiewet 1993 en artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, in 1994, is dat veranderd. Deze wijzigingen waren nodig om helder zicht te krijgen op de kwaliteit, omvang en inhoud van de werkzaamheden van de buitengewoon opsporingsambtenaren.

Sinds 1 mei 2000 is het algemeen toezicht en het primaire proces boa ondergebracht bij het Ministerie van Justitie, Dienst Justitiële uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit & Screening (Dienst Justis), Individuele Beleidsbeslissingen, met als doel om zorg te dragen voor een betere stroomlijning van de kwaliteit en kwantiteit van de opsporing. Eén van de redenen dat het werkproces boa is ondergebracht bij de Dienst Justis is dat er een samenhang bestaat met reeds bestaande werkprocessen bij de Dienst Justis, te weten de Wet Wapens en Munitie, Wet Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de Verklaring omtrent het gedrag (VOG).

 

Bron: Ministerie van Justitie

© Copyright Schaaf bv